FAQ Uitwisseling Biologie – Vis

Hieronder treft u de meest gestelde vragen over Uitwisseling Biologie –  Vis. Staat uw vraag er niet tussen? Kijk dan eens in één van de andere FAQ's op deze pagina. Kunt u daarin uw vraag ook niet vinden, neem dan contact op met onze servicedesk.


Hoe kan  in één meting zowel het aantal, massa als lengte(klasse) worden vastgelegd?

Bij de monitoring van vissen betreft de meting (waarneming) over het algemeen het aantal vissen van een bepaalde soort (biotaxon). Als de telling beperkt is tot vissen met een bepaalde lengte(klasse), dan moet dit als hoedanigheid(-fractie) worden vastgelegd. De Aquo-standaard kent hiervoor zowel de vislengteklasses uit het Handboek Visstandbemonstering als een lijst met de discrete vislengtes in ‘cm’ .

Van dit aantal, in een bepaalde lengteklasse, kan ook de totale massa worden bepaald. Dit is feitelijk een andere meting (waarneming). Bij de uitwisseling volgens Aquo zijn dat dus twee meetwaarden per vissoort per lengte(klasse).

Als dergelijke meetwaarden worden omgerekend naar aantal of massa per hectare dan is er sprake van nog meer meetwaarden per vissoort per lengte(klasse). Dit zijn uiteraard geen ruwe meetwaarden meer.

Overigens kunnen in de userinterface van het bronsysteem dergelijke meetwaarden als één regel bij een vissoort van een bepaalde lengte(klasse) worden getoond.

Terug naar de paginatop

Kan er vastgelegd worden dat er bij een visvangst maar een halve bak is geteld?

Ja, dat kan door als meetwaarde van de parameter ‘Visvangstfactor’, de waarde ‘0.5’ vast te leggen. Uiteraard is het ook mogelijk bij het vastleggen van de tellingen de aantallen te vermenigvuldigen met twee. De ‘Visvangstfactor’ is dan ‘1’ of is niet vastgelegd.

 

Terug naar de paginatop

Hoe selecteer ik voor een KRW-beoordeling alleen de vangstgegevens van elektrovisserij?

Het vangtuig (vistuig) dat gebruikt is bij de monitoring van vis is in de Aquo-standaard als Bemonsteringsapparaat vastgelegd bij een monster. De Aquo-domeintabel Bemonsteringsapparaat kent twee domeinwaarden voor elektrovisserij: ‘Elektrisch schepnet’ en ‘Elektrisch schepnet met keernetten’. Beiden zijn synoniemen voor ‘elektrovisapparaat’

Ter info: De KRW-beoordeling voor beken/riviertjes (R4, R5, R6, R12, R13, R14, R15, R17, R18) en sloten (M1/M8) vindt alleen plaats op basis van elektrovisserij. De KRW-beoordeling voor de kleine kanalen (M3/M4/M8/M10) vindt plaats op basis van combinatie van elektrovisserij en zegen.

Terug naar de paginatop

Hoe leg ik bij grote kanalen (KRW-watertype M6 en M7) de leeftijdsopbouw van snoekbaars vast?

Voor de KRW-beoordeling van de grote kanalen moet het aantal snoekbaarzen groter dan 40 cm bekend zijn. Het aantal vissen van een bepaalde lengte kan op twee manieren zijn vastgelegd in het kenmerk Hoedanigheid. De Aquo-domeintabel Hoedanigheid (groep BiologischKenmerk) kent namelijk twee soorten vislengteklasses:
1. Volgens het Handboek Visstandbemonstering, met per klasse een lengtebereik. Dan moet gekozen worden voor monitoringgegevens met de hoedanigheid ‘Vislengteklasse-4 (groter dan 40 cm)’
2. Per discrete centimeter. Dan moet gekozen worden voor monitoringgegevens met de hoedanigheden uit de reeks ‘Vislengteklasse 41 cm’ t/m ‘Vislengteklasse 99 cm’.

Terug naar de paginatop

Welke kenmerken van de visvangst moeten worden vastgelegd om een KRW-beoordeling uit te voeren?

De kenmerken van een visvangst worden vastgelegd bij een Monsterobject. Toch zijn er ook kenmerken die in UM Aquo nog als meetwaarden van een monstervariabele moeten worden vastgelegd. De volgende kenmerken kunnen worden vastgelegd:

–          type vangtuig, bij het kenmerk Bemonsteringsapparaat van een Monsterobject.
Dit moet een vangtuig zijn dat wordt voorgeschreven in het werkvoorschrift ‘HH-W13A:2010 Bestandsopname van vis voor de KRW’: Zegen, Zegen met keernetten, Elektrisch schepnet, Elektrisch schepnet met keernetten, Wonderkuil, of Stortkuil.

–          bevist oppervlakte: als ‘waarnemingen’ van de parameter (monstervariabele) ‘Bemonsteringsoppervlakte’
of
trajectlengte en breedte van vangtuig: als ‘waarnemingen’ van de parameters (monstervariabele) ‘Treklengte’ en ‘Bemonsteringsbreedte’.

–          visvangstfactor: als meetwaarde van de parameter (monstervariabelen) ‘Visvangstfactor’, een getal tussen de 0 en 1.

Daarnaast wordt aangeraden het kenmerk Bemonsteringsmethode bij een Monsterobject vast te leggen. De datum/tijd van de vangst kan worden vastgelegd bij de meetwaarden van de gevangen vissen.

Terug naar de paginatop

Welke kenmerken van vistellingen moeten worden vastgelegd om gebruikt te kunnen worden voor allerlei doelen?

Bij een visvangst moeten als ruwe data de aantallen vissen per soort worden vastgelegd als meetwaarden. Bij deze aantallen moet ook worden vastgelegd tot welke lengtefractie de aantallen behoren. Bij de meetwaarden moeten dan de volgende kenmerken worden vastgelegd:

Grootheid: ‘Aantal’ (code: AANTL).
Parameter (biotaxon): de betreffende vissoort.
Eenheid: ‘exemplaren’ (code: n).
Hoedanigheid: de lengtefractie , dus bijvoorbeeld ‘Vislengteklasse-2 (16 t/m 25 cm)’ (code VL-2) of ‘Vislengteklasse 23 cm’ (code: VL-23cm). Overigens zijn er aparte vislengteklassen voor snoeken.
Compartiment: ‘Oppervlaktewater’ (code: OW), ook als er langs de oevers is gevist.

Terug naar de paginatop

Hoe wordt het onderscheid gemaakt tussen een vangst bij daglicht en vangst ’s nachts?

Het moment waarop de vis is gevangen is zichtbaar in het kenmerk ‘tijd’ bij een meetwaarde. Als er geen tijd, maar alleen een datum is vastgelegd, dan is het onderscheid dag/nacht niet expliciet vastgelegd. Impliciet kan dit onderscheid gehaald worden uit het gebruikte vangtuig of de toegepaste vangmethode. Dit laatste wordt afgeraden. Aangeraden wordt om bij de meetwaarden een default tijd van 12:00:00 voor ‘overdag’ en 23:59:59 voor ‘‘s nachts’ vast te leggen.

Terug naar de paginatop

Moet bij een meetwaarde worden vastgelegd tot welk visgilde de vissoort behoort?

Nee. Informatie over indelingen van vissoorten horen thuis in een soortenregister, zoals TWN, of in een beoordelingssysteem. Overigens kan bij de KRW-beoordeling de samenstelling van een visgilde verschillen per KRW-watertype.

Terug naar de paginatop

Hoe wissel ik voor een KRW-beoordeling de relaties tussen waterlichamen, kerngebieden, deelgebieden, vangsten en hun kenmerken uit?

De relatie tussen een KRW-waterlichaam en een KRW-monitoringlocatie ligt vast in het KRW-monitoringprogramma. Welke vangsten behoren tot dezelfde KRW-monitoringlocatie is in de uitwisseling volgens UM Aquo zichtbaar doordat een Monsterobject (lees: vangst) altijd behoort tot een Meetobject (lees: KRW-monitoringlocatie).

In het bronsysteem moeten deze relaties tussen de objecten uiteraard ook zijn vastgelegd.

Terug naar de paginatop